1. Laat de sucadelappen op kamertemperatuur komen en dep ze vervolgens droog met een stukje keukenpapier. Snijd de vetranden niet van het vlees af en koop bij voorkeur vlees dat goed doorregen is. Het vet smelt tijdens de bereiding grotendeels en dit zorgt straks voor lekker mals vlees.
2. Kruid het vlees met vleeskruiden naar wens en breng op smaak met peper en zout. Zorg ervoor dat je beide kanten van het vlees goed inwrijft met de kruiden.
3. Smelt een klontje boter in de braadpan en leg de sucadelappen in de boter.
4. Bak de sucadelappen om en om bruin, gaar hoeven ze niet te zijn maar zorg voor een mooi kleurtje. Mocht je een pan hebben waar niet alle stukken vlees in één keer inpassen, leg de aangebraden stukken dan gewoon even op een bord. Het geeft niet als ze hierdoor wat afkoelen, dat komt zometeen allemaal wel weer goed.
5. Doe al het vlees terug in de pan en schenk er een halve liter warm water bij of in ieder geval genoeg zodat het vlees nagenoeg helemaal onder staat. Draai het vuur laag en doe de deksel op de pan. Laat het vlees nu in zo’n drie à drieënhalf uur gaar worden tot het nagenoeg uit elkaar valt. Houd het vlees in de tussentijd wel in de gaten! Laat het niet té lang sudderen en zorg er ook voor dat het niet aan de bodem van de pan vast gaat zitten.